Shaare Zedek Ziekenhuis

Jeruzalem was in het jaar 1860 een primitief stadje. De dienstverlening was in alle opzichten erbarmelijk, de straten ongeplaveid en regenwater werd opgevangen in bassins. Influenza, cholera, malaria, verkeerde voeding en ondervoeding, gepaard gaande met een geloof aan een onvermijdelijk noodlot, beroerde de inwoners van Jeruzalem. Het ontbreken van goede hygiënische omstandigheden was ook de oorzaak van een vergrote kans op pestilentie en inheemse ziektebeelden uit het Midden-Oosten.
 
De Joden begonnen te verlangen naar ziekenhuis met een eigen karakter. In de jaren vanaf 1870 werd de situatie steeds nijpender en was het aantal oude en arme mensen toegenomen tot 10.000. Deze wanhopige situatie kwam onder de aandacht van een groep Joden uit Duitsland en Holland die een bezoek brachten aan Jeruzalem. Getroffen door de intense nood werd een comité opgericht voor de bouw van een Joods ziekenhuis in Jeruzalem: een plaats van genezing en optimale zorg voor de zieken van Jeruzalem. Het medisch-ethische beleid van het ziekenhuis werd onwrikbaar vastgelegd door wat God, in de Thora, van ons vraagt. Dit heeft als uitwerking dat de beschermwaardigheid van het leven wordt gewaarborgd en het ziekenhuis openstaat voor ieder die hulp nodig heeft: Joden, Christenen, Moslims, vriend of vijand.
De realisatie van het ziekenhuis was alleen mogelijk door fondswerving wereldwijd. Tot op de dag van vandaag is dit een feit. Het Shaare Zedek Ziekenhuis staat geen overheidsinmenging toe en verzekert daarmee het medisch-ethische beleid. De keerzijde hiervan is: geen of onvoldoende overheidssubsidie.
 
Op 27 januari 1902 opende Shaare Zedek de deuren van het ziekenhuis dat gebouwd was door 120 Joden. Het was voor die tijd een modern ziekenhuis aan de Jaffastraat met twee separate kamers voor infectieziekten en isolatie. Het plan was om te starten met zestig bedden, doch het ontbreken van voldoende financiële middelen bracht de werkelijkheid op twintig bedden. Drie jaar later was de voorgenomen capaciteit van zestig bedden gerealiseerd.
De eerste 10 jaar zijn er 4.602 patiënten opgenomen. De ezel was in die tijd de ambulance voor het vervoer van de patiënten. Er werden in die eerste tien jaar gemiddeld per jaar 240 kinderen geboren tegenover de huidige situatie van 12.000 per jaar.
 
Dr. Moshe Wallach (1867-1957) was vanaf 1902 tot op zeer hoge leeftijd geneesheer-directeur. Hij arriveerde in 1892 in Palestina en met behulp van het comité werd in het centrum van Jeruzalem een artsenpost met apotheek opgezet. Dr. Wallach bracht honderden visites aan de arme bevolking. Velen konden het ziekenhuis niet bereiken. Oogziekten kwamen veelvuldig voor. Tussen 1908-1911 alleen al 42.000 gevallen.
 
Dr. M. Wallach was dé pionier, die aan de wieg heeft gestaan van een modern concept van zorg. Niet alleen de zorg stond hoog in het vaandel geschreven, maar ook de inrichting van de ziekenhuistuin met planten en bloemen uit de Bijbel. Natuurlijk werd er ook rekening gehouden met de Soekot. Een melkveehouderij mocht niet ontbreken, want op de recepten die hij uitschreef, werd vaak ook het drinken van één of meerdere glazen melk vermeld. Heel zijn leven stond in het teken van hulp aan de naasten die dag en nacht op hem konden rekenen.
 
Zuster Selma Meier is, net als dr. Wallach, één van de onmisbare steunpilaren geweest. In 1916 begon zij haar lange loopbaan in het ziekenhuis die duurde tot 1964. In het ziekenhuis en daarbuiten kreeg zij de naam: een nieuwe Florence Nightingale. Zij was verzocht te helpen in Jeruzalem. Aan deze oproep gaf ze gehoor en verruilde het comfortabele leven in Europa voor het primitieve leven in het Midden-Oosten, waar armoe en ziekte hand in hand gingen.
 
Zij was de eerste gediplomeerde verpleegkundige in het ziekenhuis en had een staf van twaalf ongetrainde verpleegkundigen! Zij kende, evenals dr. Wallach, geen vaste werkuren en ging de klok en het jaar rond. Zij kende ieder persoonlijk: een mens was voor haar geen object maar subject. Op jonge leeftijd verloor ze haar moeder en ze zei toen: ‘Ik geef anderen wat ik heb gemist; moeders liefde!’ Haar inzet, bewogenheid en opleiding in het Heinrich Heine Hospital in Hamburg droegen er toe bij dat in 1936 de eerste officiële verpleegkundigenopleiding te Jeruzalem van start ging. Deze school heeft als onderscheid, dat de opleiding is ingekaderd in de Joodsreligieuze wetgeving. Zuster Selma is ongehuwd gebleven. Zij had drie weeskinderen geadopteerd, waarvan er één is omgekomen bij een gewelddadige aanslag in Ben Yehuda Street in 1948.
 
Vanaf 1902 is het ziekenhuis gegroeid en is uiteindelijk besloten tot de bouw van een nieuw ziekenhuis dat in 1980 haar poorten opende aan de voet van de Hertzelberg, maar nu ver buiten het oude stadscentrum. Met de bouw van het ziekenhuis is rekening gehouden met de opname van patiënten ten gevolge van oorlogssituaties en aanslagen. Het ziekenhuis telt negen verdiepingen waarvan zes bovengronds en drie ondergronds. De ondergrondse zijn als het ware in de voet van de berg ingegraven en dusdanig ingericht dat in noodgevallen, indien het ziekenhuis door een raketinslag of anderszins getroffen wordt, de ondergrondse  faciliteiten als volwaardig ziekenhuis kunnen blijven functioneren en honderden patiënten en/of slachtoffers zonder noemenswaardige problemen geholpen kunnen worden.
 
Sinds 1988 geeft Jonathan Halevy leiding aan het ziekenhuis en is het ziekenhuis omgevormd van een klein hospitaal tot een groot academisch centrum. Ondanks alle vooruitgang, zijn er ook bedreigingen. Door de steeds hoger wordende kosten en de toenemende specialisering neemt de aandacht voor de patiënt af. Halevy pleit dan ook voor een holistische benadering. Een arts behandeld immers geen orgaan, maar een mens. Dit is dan ook de uitdaging van de toekomst in de ogen van Halevy. ‘Met de technologie van vandaag kunnen we kwalen zelfs op celniveau behandelen. Maar de kunst is om daarbij het individu niet uit het oog te verliezen.’
 
Leidend voor het beleid van het Shaare Zedek Ziekenhuis zijn de Joodse wetten en ethiek. Het ziekenhuis heeft zelfs een speciale afdeling die zich met medisch-ethische vraagstukken bezighoudt en richtlijnen voor artsen en verplegend personeel uitvaardigt. Het ziekenhuis wordt dan ook beschouwd als een religieus ziekenhuis. Dit betekent niet dat het ziekenhuis door rabbijnen wordt gerund, maar wel dat in het ziekenhuis de spijswetten nageleefd worden en de sabbat in ere gehouden wordt. Dit kost af en toe flink wat geld en moeite om technische oplossingen te vinden voor situaties die conflicteren met de voorschriften. Het Shaare Zedek ziekenhuis dwingt patiënten en bezoekers niet tot het naleven van religieuze weten. ‘Als mensen een andere overtuiging hebben, is dat hun zaak. Het enige dat zij van ons beleid zullen merken, is dat bijvoorbeeld op de sabbat de publieke telefoons in het ziekenhuis niet werken. Overigens horen wij vaak van niet-religieuze mensen dat zij de rust op zaterdag juist erg waarderen.’
 
Als directeur van het Shaare Zedek Ziekenhuis moet Halevy soms beslissingen nemen die heel direct over leven en dood van een patiënt gaan. ‘Als een dokter aan mijn bureau komt en toestemming vraagt voor een levensreddende behandeling die 100.000 dollar kost, is dat voor mij een heel moeilijke afweging. Ik heb als directeur de verantwoordelijkheid om het ziekenhuis draaiende te houden. Als arts en mens wordt ik geacht te allen tijde het belang van de patiënt op het oog te hebben. Dat geeft een zware emotionele belasting.’ Dergelijke besluiten neemt Halevy dan ook niet alleen. In zo’n geval wordt de vraag voorgelegd aan een aantal andere artsen. Als zij van mening zijn dat de behandeling noodzakelijk is, dan zal die ook doorgang vinden. De directeur voelt zich zo altijd gesteund door de professionele en morele mening van zijn collega’s.